| |
INLEIDING
Servaasbolwerk,
Utrecht. Een onwaarschijnlijk mooie plek. Met de glooiingen van het Zocherpark,
de Sterrenwacht en het zicht op de Nieuwegracht. Niet alleen de huizen,
ook de bomen zijn er monumentaal. Het is er stil en stedelijk tegelijk.
Hier woonden ooit de nonnen van de St. Servaasabdij. In de voormalige
kloostertuinen verrees in 1944 een (gecamoufleerde) Duitse bunker. De
bunker maakt plaats voor een fonkelnieuw woongebouw – Het Bolwerk
– ontworpen door AWG Architecten uit Antwerpen, het bureau van Vlaams
bouwmeester bOb van Reeth. In Utrecht maakte dit bureau naam met woningen
aan de Mariaplaats / Walsteeg, ook heilig terrein vroeger. Het Bolwerk
is bijzonder en bescheiden tegelijk. Onontkoombaar en onzichtbaar. Een
gebouw dat zich niet direct prijs geeft. Hoe langer je kijkt, des te mooier
het gebouw.
1996
– 2004. Acht jaar heeft Het Bolwerk in onze hoofden en harten geleefd
en nu komt het daadwerkelijk tot stand. Op 9 februari 2004 is gestart
met het slopen van de gecamoufleerde Duitse bunker waarvan alleen de funderingsplaat
blijft liggen. Het Bolwerk is na de nodige procedures geleidelijk uit
de lucht komen vallen, als een huis uit één stuk. Veilig
en beschut. Gemetseld met een prachtige Duitse baksteen ligt Het Bolwerk
straks verscholen in het groen. Goddelijk groen. Verankerd op de oude
funderingsplaat van de bunker. Een ruige rots. Modern en monoliet. Transparant
en tijdloos. Het is de druppel die de rots heeft uitgehold. Vier buitenmuren
rondom een binnentuin. Glazen kamers die het gebouw doorsnijden. Met zicht
op de Domtoren. Het glas loopt bijna van de vloer tot aan het plafond.
Horizontale ramen als schietgaten. Met op zithoogte zicht op het oudste
stadspark en de mooiste gracht van Nederland. Dít is de plek, dít
is het gebouw. Voor eens en voor altijd.
VOORGESCHIEDENIS
BLAUW
LICHT
Het
eerste wat ik dacht toen ik de roltrap bij het station afdaalde was: hoe
maak ik in deze stad ooit vrienden? Ik werd omringd door Hoog Catharijne,
een betonnen bunker met een oppervlak van vele voetbalvelden. Een plek
om aan te komen en snel weer weg te gaan. Zelfs als de zon scheen bleef
het donker op het busperron. Ik hoorde mijn eigen voetstappen niet, want
de vloer was bedekt met zwarte plastic noppen, om uitglijden te voorkomen.
Ik was hier op zoek naar een kamer, in de zomer van 1981, vlak na eindexamen.
Omdat ik voor een huis aan huis blad schreef dat Twente Intiem heette,
werd ik direct toegelaten tot de School voor de Journalistiek, toen nog
gehuisvest in een prachtig oud pand aan de Palmstraat dat allang is gesloopt.
Ik vond een kamer boven café De Witte Raaf aan de Amsterdamsestraatweg.
Stamgasten stonden rond een wagenwiel met een houten ton eronder. Er hing
vaak dikke rook waarin ik gouden armbanden zag bewegen en briefjes van
duizend; onder een schouder door taste ik als een blinde naar de deurklink
en zocht mijn weg naar boven. Tapijt op de trap, geronnen bloed, dik en
vlekkerig. Een geur die ik niet kon thuisbrengen. Bier, verbrand rubber.
Als een vlieg in blauw licht zoemde ik door mijn kamer, rusteloos, van
het matras op de grond naar de tafel en weer terug, mijn schrijfmachine
onaangeraakt.

NU
WONEN ER GEWONE MENSEN
Een
journalist werd projectontwikkelaar. Ik moet zeggen per ongeluk. Nooit
van gedroomd als kind. Wel ben ik van huizen gaan houden, in de tijd toen
ik Steven leerde kennen en deze stad nog leek te slapen.
Altijd het aanhangwagentje voor de deur, klaar om volgestort te worden
met brokstukken van een muur of een oud dak. Wij pelden huizen af om het
uit de as opnieuw te laten verrijzen. De tuin afgraven en nieuwe grond
laten komen. Ontluiken de eerste bloempjes, gaan wij weer verhuizen. Affiches
op de ramen, te koop, om verliefd te worden op het volgende huis. Zoals
een moordenaar de plek des onheils vaak nog eens bezoekt, gluren wij ‘s
avonds de huizen binnen die wij hebben gerestaureerd en waar wij ooit
woonden. Kijk, nu wonen er gewone mensen, die blindelings een theezakje
kunnen vinden of het nagelschaartje en niet de hele dag stof en gruis
hoeven op te ruimen. Tien huizen in tien jaar tijd. Eén van die
huizen stond in de Magdalenastraat. Een lief dromerig straatje dat je
eerder in een dorp zou verwachten dan in de stad. Vanuit bed kon ik het
carillon van de Domtoren horen spelen

DOM
ALS MIDDELPUNT
Het
verre verleden is hier springlevend, alsof vroeger en vandaag zich tegelijkertijd
afspelen. Het is bekend dat vanaf het jaar 20 tot 270 in Utrecht Romeinen
waren gevestigd. Ze bouwden een castellum op de plek van het tegenwoordige
Domplein en bewaakten op die positie de Rijn, noordgrens van het Romeinse
Rijk. Over de daaropvolgende eeuwen is weinig bekend maar in 690 vestigde
zich hier de Ierse monnik Willibrord die later zendingsbisschop werd.
Rond 950 werd Utrecht het centrum van bisschoppelijk bestuur en ontving
het muntrecht. Handel en religie bloeiden op en de bevolking groeide.
In 1048 stichtte Bisschop Bernhold in Utrecht een prestigieus kruis van
kerken met de Dom als middelpunt. In 1122 kreeg Utrecht stadsrechten en
werd begonnen met de aanleg van een omwalling. Vanzelf maakten het Romeinse
castellum, kerkelijke immuniteiten en de Dom hier deel vanuit.

ANNA
EN DE ZUSTERS VAN ST. SERVAAS
Het
Servaasbolwerk en omgeving was altijd al de stille hoek van de zuidoostelijke
binnenstad. Al vanaf de dertiende eeuw stonden hier enkele kloosters.
Zij hadden een belangrijke invloed op de indeling van dit deel van de
stad, omdat ze een soort ‘eilanden’ vormden. Ze waren meestal
met muren omringd en daarbinnen waren de kloostergemeenschappen vooral
op zichzelf gericht, naar binnen gekeerd. Op de plek waar ik onze hond
Anna uitliet, woonden bijna vier eeuwen de zusters van het cisterciënzer
klooster van Sint Servaas. Het terrein van hun abdij grensde direct aan
de stadswal; na de aanleg van de Nieuwegracht (1390/93) lag het tussen
wal en gracht in, aan de noordzijde begrensd door de straat waar ik toen
woonde, de Magdalenastraat. Achter de omheining lagen een simpele eenbeukige
kloosterkerk met een bescheiden torentje, een kerkhof, een ensemble van
woon- en bedrijfsgebouwen en grote tuinen aan de noordkant. Op deze ruime
en stille plek, waaraan nog de naam Servaasbolwerk herinnert, probeerden
generaties vrouwen van adellijke komaf een godvruchtig leven zonder al
te grote ontberingen te leiden. Zij die zich hier lieten begraven, kregen
volgens de legende het eeuwige leven.
BISSCHOP
WILBRAND
Na
de Reformatie werd het abdijterrein gedeeltelijk verkaveld en in 1687
met grotere huizen langs de Nieuwegracht bebouwd, die wegens verval in
de Napoleontische tijd werden gesloopt. Slechts één huis
(Nieuwegracht 98) bleef bewaard en werd in de 19e eeuw tot een soort buitenhuis
verbouwd. In 1927 werd hier de Zoudenbalchstichting, afkomstig uit het
weeshuis aan de Oudegracht, ondergebracht. De gebouwen van de Servaasabij
waren gedeeltelijk ten prooi gevallen aan de storm van 1674. Alleen de
kerk bleef nog gespaard, waar bisschop Wilbrand en vele edelen met hem
hun grafkelders hadden. In het begin van de 19de eeuw was ook de abdijkerk
van Sint Servaas tot een ruïne vervallen.
VADER
EN ZOON ZOCHER
In
1826 onderzocht een speciale commissie in opdracht van burgemeester Van
Asch van Wijk mogelijkheden ter bevordering van de Utrechts handel en
mogelijkheden tot stadsuitbreiding. Ook werd nagedacht over de sloop van
stadswallen die, doordat Utrecht deel was gaan uitmaken van de Nieuwe
Hollandse Waterlinie, geen functie meer hadden. Enkele jaren na 1830 werden
de resten van de Sint Servaaskerk gesloopt om plaats te maken voor het
plan Zocher dat voorzag in een stadsuitbreiding die door geldgebrek nooit
is uitgevoerd en een wandelpark over de vestingwerken dat nog altijd het
beeld van de singels bepaalt. Bij de uitvoering bleek dat met het slechten
van de wallen soms minder fraaie plekken in het zicht kwamen te liggen.
Zocher ontwierp hiervoor de zogenaamde ‘schermblokken’, zoals
aan de noordelijke rand van de voormalige Servaasabdij om de achterliggende
arbeiderswoninkjes te camoufleren. Nadat de vestingwerken hun functie
hadden verloren, was de stad niet langer naar binnen gekeerd maar werd
ze het centrum van een groter geheel. Wat tot dan toe eeuwenlang de rug
van de stad was, werd omgetoverd tot een voorname voorzijde, met statige
woonhuizen aan de randen van het plantsoen dat als een groene strik rond
de binnenstad ligt, meer dan vijf kilometer lang. Hoewel het een relatief
smal park is, zijn de Zochers erin geslaagd de illusie te scheppen van
een onmetelijk groen gebied, waar geen eind aan schijnt te komen voor
de wandelaar. En voor de wandelaar is het park bedoeld. Bij de aanleg
heette het dan ook de ‘Wandelingen.’ Zware bomen en struikenpartijen
werden geplant om het uitzicht te beperken en daardoor een wandeling met
verrassingseffecten te creëren, zoals de glooiingen rondom de Sterrenwacht
en de contrasten tussen licht en donker.

STEM
LIJST 6 EN DRINK VAN NELLE KOFFIE
Uitgerekend
op de mooiste plek van het park, dat wel een bos lijkt, zo groen en weelderig;
uitgerekend op die plek is in 1944 een Duitse bunker gebouwd van 30 bij
35 meter. De bunker aan het Servaasbolwerk is niet als bunker te herkennen
omdat die schuil gaat achter een ‘normale’ gevel van donkere
baksteen. Achter de ramen en onder de dakpannen zit niets dan gewapend
beton van drie meter dik. Het lijkt alsof met het plan voor een woongebouw
op deze plek het bestaan van de bunker voor het eerst in vijftig jaar
is opgemerkt. De afgelopen jaren vond dan ook een heftig debat plaats
over de vraag of de bunker was bedoeld voor telefoonverkeer of als schuilbunker
zou hebben gediend. Feit en fictie bleken niet altijd even makkelijk van
elkaar te scheiden. Zo constateerde een mevrouw van de Raad voor Cultuur
dat een Duits leidingenstelsel in de bunker bedoeld voor communicatie
gedeeltelijk bewaard was gebleven, waar het in werkelijkheid ging om ventilatiekanalen
en verwarmingsbuizen die in de jaren zestig waren aangebracht. Op foto’s
van de bunker na de oorlog is te zien dat deuren, ramen en pannendak nog
niet zijn aangebracht. Op de betonnen muren waren affiches geplakt die
met een loep nog leesbaar zijn: Stem lijst 6 en drink Van Nelle Koffie.
Charlotte Kohler zegt Judith het Hooglied, een voordracht in de Stadsschouwburg
op 7 februari 1947. De foto’s laten haarfijn zien waar het werkelijk
om ging; een desolaat betonnen casco dat nooit gereed is gekomen en door
god en iedereen was verlaten.
EEN
HUIS OM NOOIT TE VERGETEN
Het
is prettig om je aan een plek te kunnen verbinden, niet alleen een voorbijganger
te zijn. Zo’n plek is het Servaasbolwerk. In mijn eerste gesprek
met architect bOb van Reeth, begin 1996, liet ik hem foto’s zien
van een huis in Frankrijk waar ik een tijdje heb gewoond. Een huis aan
een rivier. Je kon er niet met de auto komen, alleen lopend, in een verlaten
dorpje dat Champagne de Meyras heet. Over het pad dat driehonderd meter
lang was, liepen vroeger ezeltjes naar beneden, aan weerskanten bepakt
met balen ruwe zijde. Ergens halverwege kon je alleen het pannendak zien
liggen en de rivier horen ruizen. Een betoverende plek met groene terrassen
uitgehakt in de rotsen. Uit het basalt werden rond 1870 ter plaatse grote
blokken gehakt om in de binnenbocht van de rivier een gebouw neer te zetten
dat staat als een rots en volledig in zijn omgeving is opgenomen. Een
voormalige zijdespinnerij met water uit de rivier dat achterlangs door
een kanaal liep om via een draaiend rad eigen elektriciteit op te kunnen
wekken, waarna het water onder het gebouw doorstroomde en als een waterval
uit de gevel weer terug in de rivier viel. Een huis om nooit te vergeten.
Onaanraakbaar en toch werd je erdoor omarmd. Verdiepingshoge ramen, waardoor
vleermuizen naar binnen fladderen op een zwoele zomeravond. ’s Nachts
kon je een nachtegaal horen zingen, de rivier horen ruizen. Altijd de
rivier. Een soort van vrede, vanzelfsprekendheid, het gevoel dat alles
klopt. Een plek waar je ruimte ervaart en tegelijkertijd geborgenheid.
Dat wil Het Bolwerk ook bieden. Ruimte en geborgenheid in een eigenzinnig
en eigentijds gebouw dat toch volledig harmonieert met de historische
omgeving. Licht en transparant, maar toch echt verankerd op deze ene plek,
alsof het gebouw van morgen er altijd heeft gestaan.
Edwin
Oostmeijer
Utrecht, juni 2003
|
|